Reactie op verweerschrift stadsdeel

Hierbij reageren wij op het verweerschrift van stadsdeel Oost, als onderdeel van ons beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan IJburg, 1e fase 2013. Alvorens dit te doen geven wij kort de context van de situatie en de besluitvormingsprocedure weer, inclusief een overzicht van de bijgevoegde stukken.
Waarom is de beslissing over het wel of niet in het Diemerpark parkeren zo belangrijk?

Kenmerken van het Diemerpark
Het Diemerpark in Amsterdam is het belangrijkste stadspark voor de compact gebouwde nieuwbouwwijk IJburg (dichtheid ca. 80 won./ha. – ter vergelijking: een gemiddelde Vinexwijk heeft ongeveer 40 won./ha.). Het park is in stedenbouwkundige zin als uitloopgebied én als ruimtelijke compensatie bedoeld. Het Diemerpark en de Diemerzeedijk vormen officieel de ecologische verbindingszone aan de oostzijde van de stad.Ecologische verbindingszone
bron: Structuurvisie Amsterdam 2040, pag. 138

Het Diemerpark is gesitueerd op een gesaneerde, voorheen zeer vervuilde plek, waardoor de inrichtingsmogelijkheden beperkt zijn. Daardoor is het park een open groen gebied met weinig opgaande begroeiing en een sobere inrichting. Het Dick Hilleniuspad aan de noordwestzijde van het park is een intensief gebruikte fietsroute die behoort tot het Hoofdnet Fiets.
Het vormt dé fietsverbinding van IJburg met de stad. Direct tegen deze fietsverbinding aan heeft het stadsdeel Oost in 2010 twee kunstgras-sportvelden aangelegd en toegestaan dat daarop twee sportverenigingen (AFC IJburg – voetbal en AHC IJburg – hockey) competitiewedstrijden organiseerden.

Sportfaciliteiten: gevolg van sequentie van ad-hoc beslissingen
De ontwikkeling van sportfaciliteiten in het Diemerpark heeft plaatsgevonden zonder dat er een goed onderzoek gedaan is naar de consequenties in functionele en ruimtelijke zin én zonder voldoende afgewogen besluitvorming. Nog steeds ontbreekt een plan voor de ontwikkeling en inpassing van het sportterrein. Inmiddels zijn er vier kunstgrasvelden en zijn er twee nog in voorbereiding. Er zijn noodgebouwen verschenen, een woud aan hekken, hoge verlichtingsmasten, fietsenstallingen, enzovoort. Alle ontwikkelingen zijn het gevolg van een hele serie niet transparante ad hoc beslissingen. Daarin moet nu ook de voorgenomen aanleg van een parkeerterrein geplaatst worden.
Niemand weet waar dit eindigt, qua onderdelen, qua hoeveelheden en qua gebruik. De aanleg van een parkeerterrein in of buiten het park neemt een cruciale plaats in de verdere ontwikkelingen van het park in.
Als eenmaal in het park geparkeerd gaat worden, creëert men een situatie waarbij ongewenste en onbedoelde ontwikkelingen plaats gaan vinden ten koste van natuur en rust en van een aantrekkelijke parkomgeving en ten koste van een goede, aantrekkelijke en veilige doorgang van fietsersop het Hoofdnet Fiets. Het sportterrein komt nu al over als een bedrijfsterrein, op een van de markantste plekken van het Diemerpark.

Het bestemmingsplan als integraal afwegingsmoment

Het hele besluitvormingsproces van het sportterrein in het Diemerpark wordt gekenmerkt door ad hoc beslissingen.Een integrale benadering met inzichtelijke afwegingen en keuzes ontbreekt. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een volledig op zichzelf staande beslissing over het parkeren in het Diemerpark. Zelfs bij die beslissing zijn de voorwaarden, de capaciteit en de ontsluitingsroute nog steeds niet duidelijk en zijn alternatieve oplossingen niet concreet onderzocht. Ook een afgewogen voorstel over de samenhang met het fietspadtracé, als onderdeel van Hoofdnet Fiets ontbreekt. Van een ‘integraal afwegingsmoment’, dat verwacht zou mogen worden bij het opstellen van een bestemmingsplan, is geen sprake geweest. Er heeft geen integrale planvorming plaatsgevonden waarbij de ligging van de velden, de (tijdelijke en definitieve) bebouwing, de overige gebouwde voorzieningen, de verharding, de lichtmasten, de logistiek (laden en lossen, bereikbaarheid voor ambulances, brandweer e.d.), het stallen van fietsen en auto’s, de fysieke afstemming van het tracé van de fietsroute en het sportterrein, maar ook de functionele en ruimtelijke inpassing van het complex in het (open) park aangegeven is én met elkaar in verband wordt gebracht. Van enige visie op mogelijke verdere uitbreidingen én beperkingen van het sportterrein is al helemaal geen sprake. Wat dat betekent in de nabije toekomst kan men raden.

 Bijlagen
Bijgesloten zijn de volgende documenten. Samen met deze brief vormen zij een toelichting op ons beroepschrift en een verantwoording van de door ons geformuleerde stellingen.

  1. Pleitnota, eerder verstuurd aan de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in verband met ons verzoek om voorlopige voorziening in deze zaak (04-12-2013).
  2. Reactie op de ‘inhoudelijke reactie op analyse Vereniging Vrienden van het Diemerpark’ van stadsdeel Oost over onze analyse van het onderzoek van Arcadis over het gebruik van de parkeergarage (de zogenaamde ‘parkeerpilot’) (06-03-2014)
  3. Parkeergarage onder het winkelcentrum IJburg: cijfers over de bezetting van de parkeergarage en voorspelling over de capaciteit (08-03-2014).
  4. Vragen van de Partij voor de Dieren en de SP bij agendapunt 38 van de commissievergadering BWK van de gemeente Amsterdam over de adviezen van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (T.A.C.) ten aanzien van de geplande ontwikkelingen in het Diemerpark. (22-02-2014)
  5. Vraag van onze vereniging aan de gemeenteraad en college van B&W van Amsterdam over het verschil in de tekening in aanvraag van het T.A.C.-advies door stadsdeel Oost en de afbeelding van het sportpark in het bestemmingsplan. (24-02-2014)
  6. Transcripties. Woordelijke weergave van wat er gezegd is door stadsdeelraadsleden en leden van het Dagelijks Bestuur in openbare commissie- en raadsvergaderingen van stadsdeel Amsterdam Oost van 5 september 2011 t/m 26 november 2013 over het Diemerpark (06-03-2014).

Het verweerschrift van stadsdeel Oost

Hieronder gaan wij in detail in op het verweer van stadsdeel Oost dd. 10-02-2013 op het door ons ingestelde beroep.
Als inleidend punt in het verweer op ons beroep staat er dat het stadsdeel “het beleid hanteert om het autoverkeer in het park zo beperkt mogelijk te houden.”
Dat zijn holle woorden die niet door feiten woorden ondersteund.
Er zijn reële mogelijkheden waarbij in het park helemáál géén autoverkeer hoeft plaats te vinden, maar daar heeft de stadsdeelraad niet voor gekozen. Op 26-11-2013 besluit de stadsdeelraad dat er méér dan 42 parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden”als er parkeeroverlast in de omgeving is“.
Hieruit blijkt dus geenszins dat serieus gewenst wordt “om het autoverkeer in het park zo beperkt mogelijk te houden”.
Onze reactie is verder ingedeeld en opgesteld overeenkomstig de opbouw van het verweerschrift en ons beroepschrift. Er zijn drie hoofdonderwerpen:

  1. Noodzaak parkeervoorziening
  2. Verkeersveiligheid
  3. Structuurvisie Amsterdam 2040

1.  Noodzaak parkeervoorziening

De stadsdeelraad schrijft dat het beleidsvrijheid in zijn keuze heeft om bepaalde alternatieven niet te onderzoeken. Er zou onderzoek gedaan zijn naar 6 parkeerlocaties in het Diemerpark en 2 daarbuiten.
Wij constateren dat er vóór de vaststelling van het bestemmingsplan geen 2, maar 1 parkeerlocatie buiten het Diemerpark (en dan nog heel beperkt) is onderzocht: de parkeergarage onder het winkelcentrum. Ook is er niet gekeken naar de mogelijkheid om het gewenste aantal parkeerplekken over verschillende locaties te verdelen.
Er zijn vóór de vaststelling van het bestemmingsplan realistische, haalbare opties buiten het Diemerpark niet onderzocht.
Pas ná vaststelling van het bestemmingsplan is, in het participatietraject onder leiding van bureau ‘De Wijde Blik’, onderzoek gedaan naar andere mogelijke alternatieven buiten het park.
En die bleken er wel degelijk te zijn. In een meningspeiling werd aan alle huishoudens op IJburg en een deel van de Diemerzeedijk gevraagd welke locatie voor een parkeerterrein van drie mogelijkheden zij het beste vonden: de optie die door bewoners was aangedragen aan de kop van de Oeverzeggestraat, of twee opties die het stadsdeel waren voorgesteld, in het Diemerpark. Bewoners mochten niet kiezen voor de parkeergarage.
Deze procedure past niet in een zorgvuldig, eerlijk verlopen democratisch besluitvormingsproces.
Door sommige opties al in het bestemmingsplan vast te leggen, kregen die (‘voorgenomineerde’) locaties een grotere kans om uiteindelijk gekozen te worden dan locaties die op zich béter zijn.
In een zorgvuldig besluitvormingsproces had het stadsdeelbestuur van meet af aan moeten kijken naar alle mogelijke realistische, ‘haalbare’ locaties voor parkeergelegenheid en zeker óók buiten het Diemerpark.
Alle locaties hadden vervolgens in één proces met dezelfde diepgang onderzocht moeten worden, met elkaar vergeleken moeten worden en ter besluitvorming aan de stadsdeelraad voorgelegd.

1.1. Parkeergarage

Het is bizar dat we bij de Raad van State in beroep moesten gaan om een inhoudelijke reactie te krijgen op onze grondige analyse van het onderzoek door Arcadisnaar het gebruik van de parkeergarage onder het winkelcentrum.
Maar wij zijn blij dat het stadsdeel eindelijk gereageerd heeft op onze analyse van het onderzoek.
Op 15-10-2010 schrijft de Sportraad Amsterdam in een advies aan o.a. de waarnemend stadsdeelvoorzitter Amsterdam Oost: “Het stadsdeel Amsterdam Oost ziet in de parkeergarage onder de Albert Heijn aan de IJburglaan de oplossing voor dit [parkeer – red.] probleem“. Het stadsdeel is inmiddels kennelijk van mening veranderd.

Afstemming

Het stadsdeel stelt datArcadis regelmatig met ons afstemming zou hebben gehouden “om de parkeerpilot, daar waar nodig, bij te sturen”.
We hebben enkele keren met de projectleider en een medewerker Verkeer van het stadsdeel over de parkeerpilot gesproken over de formulering van de doelstelling, het ‘verwijsborden-plan’ en de enquêtevragen. Onze suggesties zijn slechts gedeeltelijk overgenomen. Indien gewenst kunnen we gedetailleerd de verschillen aanwijzen tussen de suggesties die wij (via de projectleider Diemerpark) aan Arcadis gedaan hebben en de uiteindelijke formuleringen van de doelstellingen en enquêtevragen. We hebben ook fouten gesignaleerd in de eerste door het onderzoeksbureau Arcadis (Dufec) opgeleverde cijfers (de nulmeting). De projectleider gaf ons gelijk dat de cijfers die in eerste instantie opgeleverd werden, inderdaad niet correct waren.

De parkeergarage zou volgens het stadsdeel om drie redenen geen volwaardige parkeervoorziening zijn:

  • Er zou parkeeroverlast ontstaan in omliggende buurten omdat niet iedere bezoeker in de parkeergarage zou parkeren.
  • De loopafstand tussen de garage en de sportvelden zou te groot zijn.
  • Het zou een probleem zijn dat de gemeente geen eigenaar is van de garage.

ad I. Er zou parkeeroverlast ontstaan in omliggende buurten omdat niet iedere bezoeker in de parkeergarage zou parkeren.

Dit wordt niet ondersteund door feiten.
1. Uit de tellingen door Arcadis bleek al dat de parkeerbezetting in straten rond het park tijdens sportwedstrijden in het park minder dan 10% groter was dan tijdens de nulmeting (ondanks de parkeerverboden die pas ná de nulmeting van Arcadis ingesteld werden).
2. Tijdens het onderzoek van Arcadis (seizoen 2012-2013) werden er twee sportvelden bespeeld. Sinds het begin van het huidige seizoen (2013-2014) zijn dat vier velden.
Volgens Arcadis zou dit grotere parkeerbezetting moeten geven. Uit observaties van het straatbeeld in de omgeving (Oeverzeggestraat, Zwanebloemlaan, Mattenbiesstraat, Vennepluimstraat en Diemerzeedijk) blijkt evenwel dat het in de straten rondom het park zeer rustig is, naar onze indruk zelfs rustiger dan vorig seizoen toen er nog slechts twee sportvelden bespeeld werden.
Het lijkt ons waarschijnlijk dat dit aan twee oorzaken toegeschreven kan worden, namelijk:
– bezoekende clubs uit Amsterdam weten nu dat er geen parkeerfaciliteiten dichtbij bij de sportvelden zijn, waardoor er meer gebruik gemaakt wordt van de fiets in plaats van de auto;
– bezoekende teams die met de auto komen, weten nog van vorig seizoen dat er van ze verwacht wordt dat ze in de parkeergarage zouden parkeren.
Het stadsdeel schrijft dat de parkeergarage niet gebouwd zou zijn “in een omvang, waarbij rekening is gehouden met bezoekers van de sportvelden.”
Toen de sporters er nog geen gebruik van maakten, waren er altijd heel veel lege plaatsen in de parkeergarage. Gebleken is dat de omvang van de parkeergarage groter was dan noodzakelijk voor de doelgroep: winkelend publiek. De leegstand van de parkeergarage is door het gebruik door sporters tijdens wedstrijden in het Diemerpark minder geworden. Recente tellingen, bij 4 in plaats van 21/2 bespeelde sportvelden en op méér dagen dan Arcadis heeft gedaan, wijzen uit dat er in de parkeergarage ruim voldoende capaciteit is.
Het blijkt dat er zelfs bij 4 bespeelde sportvelden niet significant méér geparkeerd wordt dan de metingen van Arcadis lieten zien bij 21/2 sportvelden.
De voorspellingen van Arcadis over de vulling van de parkeergarage als vier sportvelden bespeeld zouden worden, zijn tot nu toe niet uitgekomen.
Voorspelling Arcadis bij 6 bespeelde velden:
Volgens de voorspelling van Arcadis zouden er bij 6 velden maximaal 137 parkeerplaatsen in de garage bezet zijn (= 97% van de 141 beschikbare plaatsen).
Omdat de garage niet meer dan voor 95% bezet mag zijn zouden er dan 3 parkeerplaatsen in de garage tekort zijn. Bij een maximale bezettingsgraad van 90% zouden er 10 parkeerplaatsen tekort zijn.
Voorspelling bij 6 bespeelde velden op basis van recente tellingen:
Op basis van onze recente tellingen bij 4 bespeelde velden, zouden er bij 6 velden maximaal 126 parkeerplaatsen in de garage bezet zijn (= 89% van de 141 beschikbare plaatsen).
Omdat de garage niet meer dan voor 95% bezet mag zijn zouden er bij 6 velden nog minimaal 8 parkeerplaatsen in de garage beschikbaar zijn. Bij een maximale bezettingsgraad van 90% zou er 1 parkeerplaats beschikbaar zijn.
In een bijlage zijn de cijfers weergegeven waarop deze voorspellingen zijn gebaseerd.

ad II. De loopafstand tussen de garage en de sportvelden zou te groot zijn.

Dit is een oneigenlijk argument om de parkeergarage af te wijzen als aanvaardbare parkeervoorziening voor de bezoekende sportteams. De afstand was al bekend vóór de ‘parkeerpilot’. Als het een probleem zou zijn, had de parkeergarage nooit als een reëel alternatief onderzocht hoeven worden.
De fracties in de stadsdeelraad van GroenLinks, SP, Nicolaï en ten minste één lid van Méérbelangen zien de parkeergarage als de beste oplossing en vinden de afstand dus geen probleem.
Bij nagenoeg ieder sportpark moeten bezoekers een stukje lopen. In een commissievergadering op 26-03-2013 merkte stadsdeelraadslid mw. Kuiper op dat de gemiddelde sporter in Amsterdam 8 à 10 minuten loopt tussen een parkeerterrein en sportveld, waarbij dat parkeerterrein notabene wél specifiek is aangelegd voor het sportterrein.
In de binnenstad kan men ook niet overal en altijd vlak naast de bestemming parkeren. Waarom zou dit hier dan een probleem moeten zijn? De meeste bezoekers zullen hier maar één of twee keer per jaar komen.
Arcadis zegt overigens zelf dat het aantal respondenten op de gehouden enquête te klein was om daar statistisch onderbouwde conclusies aan te verbinden.
Door de keuze om sportvelden in het Diemerpark aan te leggen is het onvermijdelijk dat bezoekers niet in de nabijheid van de velden kunnen parkeren.
Bovendien, zélfs als de afstand tussen parkeergarage en sportvelden te groot wordt gevonden, zou gezocht kunnen worden naar mogelijkheden van het rijden van een pendelbusje of fietstaxi of iets dergelijks. Informeel, buiten het stadsdeel om, is er geëxperimenteerd met het laten rijden van een pendelbusje tussen parkeergarage en sportvelden. Dit werd voor zover wij weten door alle betrokkenen een succes gevonden.
Gebruikers van tram en bus moeten ongeveer even lang lopen van de tram/bushalte als de automobilist van de parkeergarage onder het winkelcentrum. Waarom wordt dat voor hen als geen probleem gezien? Bewoners van IJburg worden geacht lopend of met de fiets naar het sportterrein in het park te gaan. Waarom is de vaak vergelijkbare tijd die dat kost, voor hen wél acceptabel?

ad. III. Het zou een probleem zijn dat de gemeente geen eigenaar is van de garage.

Dit was ook al bekend vóór de ‘parkeerpilot’. Als dat een probleem zou zijn, had de parkeergarage nooit als een reëel alternatief onderzocht hoeven worden. Het komt dikwijls voor dat de gemeente geen eigenaar is van een parkeervoorziening die bedoeld is voor een openbaar gebouw of openbare voorziening.
Portefeuillehouder Reuten zag in de commissievergadering Openbare Ruimte en Financiën van 23-04-2012 hierin geen probleem.

1.2. Oeverzeggestraat

Het stadsdeel zegt in het verweerschrift dat deze locatie in het kader van het bestemmingsplan niet is onderzocht. Dat had ons inziens in het kader van een zorgvuldige besluitvorming wél moeten gebeuren. Het stadsdeel voert de volgende argumenten aan om geen onderzoek te doen naar de locatie in de Oeverzeggestraat:

    1. Een parkeerterrein op deze locatie zou op korte termijn moeilijk te realiseren zijn.
    2. Er zouden zeer hoge kosten mee gemoeid zijn.
    3. Het ‘parkeerprobleem’ zou verplaatst worden naar de bewoners van de Oeverzeggestraat in plaats van daar waar de sportactiviteit plaatsvindt.
    4. Het ‘parkeerprobleem’ zou verplaatst worden naar de bewoners van de Oeverzeggestraat in plaats van daar waar de sportactiviteit plaatsvindt.

1. “Op korte termijn moeilijk te realiseren.”
Het is niet eerlijk om dit argument te gebruiken. Het stadsdeelbestuur was in de zomer van 2010 door ambtenaren al gewaarschuwd dat de aanleg van parkeerplaatsen in het Diemerpark op weerstand zou stuiten, en na de aanbieding van ons rapport ‘Hou het Diemerpark Groen’ in de commissievergadering ‘Wonen’ van 05-09-2011 wist de stadsdeelraad dat zeker. Wij vinden het kwalijk dat niet meteen bij de start van het project alle mogelijke opties voor parkeergelegenheid buiten het park zijn onderzocht. Dan was de mogelijkheid van de Oeverzeggestraat eerder in beeld gekomen en hadden er inmiddels al grote stappen op weg naar de realisatie gezet kunnen worden.
Omdat er geen parkeeroverlast meer is (doordat sporters nu gebruik maken van de parkeergarage onder het winkelcentrum) is het bovendien niet nodig om grote haast te maken met de aanleg van een parkeerterrein.

2. “Zeer hoge kosten”
Dit argument is niet gebaseerd op onderzoek. De optie aan de kop van de Oeverzeggestraat is in het kader van het participatietraject onder leiding van ‘De Wijde Blik’ in het najaar van 2013 door bureau ‘SD+P Management’ als een reële optie gekenschetst. Het voldeed aan alle criteria, dus ook de kosten, die door het stadsdeel voorafgaande aan het participatietraject waren opgesteld.
De optie is in een meningspeiling onder bewoners van IJburg door het stadsdeel gepresenteerd als een reële mogelijkheid. Het geeft dan ook geen pas dat het stadsdeel nu zegt dat het te kostbaar zou zijn, zonder dat er aanvullend onderzoek is gedaan.

3. “Probleem niet willen verplaatsen naar de Oeverzeggestraat”
Ook dit is een voor-de-gelegenheid-uit-de-kast getrokken argument. Door een parkeerterrein in het park aan te leggen zullen bezoekers van het park gedupeerd worden: recreanten, wandelaars, kinderen, fietsers, skaters die allemaal niets te maken hebben met de sportvelden.
De bewoners van de Oeverzeggestraat zullen de gevolgen daar ook van ondervinden in de vorm van doorgaand autoverkeer in hun straat.
De stadsdeelraad heeft bovendien twee keer, in de zomer van 2011 en in november 2013 besluiten genomen waarbij aan dit argument voorbij werd gegaan.
– Op 12-07-2011 besloot de stadsdeelraad een Wabo-procedure te starten om parkeerplaatsen in de Oeverzeggestraat te kunnen realiseren ten behoeve van bezoekers van de sportvelden in het Diemerpark. Om het voor automobilisten eenvoudiger te maken om te keren, zou aan het eind van de Oeverzeggestraat een keervoorziening gemaakt worden. Toen zag de stadsdeelraad er dus geen probleem in om bewoners van de Oeverzeggestraat te belasten met ‘het parkeerprobleem’. Zie voor een toelichting hierop de paragraaf ‘Voorgeschiedenis’ in de ‘Transcripties’ (bijlage 6).
– Op 26-11-2013 besloot de stadsdeelraad om (direct na aanleg van parkeerplaatsen in het Diemerpark) de mogelijkheid te onderzoeken van parkeerplaatsen op de kop van de Oeverzeggestraat.
Bij dit onderzoek zouden de volgende aspecten inzichtelijk gemaakt moeten worden: Ruimtelijke en technische inpassing, ontsluiting, verkeersveiligheid, overlast omgeving, beheer en reguleren toegang, ecologie, procedureel, kosten, mogelijkheid tot uitbreiding.
Als het stadsdeel het verplaatsen van het probleem naar de Oeverzeggestraat (voor zover daar sprake van is) écht een onoverkomelijk probleem zou vinden, zou zo’n onderzoek volstrekt zinloos zijn.

2.  Verkeersveiligheid

In diverse commissie- en stadsdeelraadsvergaderingen is door de fracties van GroenLinks, D66 , VVD, SP , Méérbelangen en fractie Nicolaï ongerustheid geuit over de verkeersveiligheid van de ontsluiting via de Oeverzeggestraat. Dat is een grote meerderheid van de stadsdeelraad (21 van de 29 zetels).
Door het stadsdeel is advies gevraagd aan een verkeerscommissie. Maar deze heeft alleen de twee ontsluitingsroutes (Oeverzeggestraat en Diemerzeedijk) met elkaar vergeleken. Tijdens de commissievergadering van 26-03-2013 werd het door de fracties van D66 en Méérbelangen een gemis/ omissie van de verkeerscommissie genoemd dat de verkeerssituatie op de brug tussen Oeverzeggestraat en Diemerpark niet onderzocht is als daar auto’s in twee richtingen overheen gaan rijden. Wij zijn van mening dat dit vóór de vaststelling van het bestemmingsplan wèl had moeten gebeuren.
Volgens het verweerschrift deelt het stadsdeel ons standpunt niet dat een parkeervoorziening in het sportpark tot verkeersonveilige situaties leidt. Daarbij voert het stadsdeel de volgende argumenten aan:

      1. Het gaat om een gering aantal auto’s dat in het sportpark kan parkeren (maximaal 42)
      2. Het stadsdeel neemt zich voor om het parkeerterrein alleen open te stellen op wedstrijddagen.
      3. De locatie van het parkeerterrein is zodanig gekozen dat er in het sportpark een zo kort mogelijke afstand afgelegd hoeft te worden.

1. “Gering aantal auto’s”
– Het autoverkeer in het park zal niet alleen bestaan uit autoverkeer van en naar de 42 parkeerplaatsen, maar ook verkeer van en naar de Kiss- & Ride-locatie die het stadsdeel daarbij wil aanleggen. Om hoeveel auto’s dat gaat is niet bekend. Wij hebben er absoluut geen vertrouwen in dat als er eenmaal parkeerplaatsen in het park liggen, dit tot 42 beperkt blijft. De beschikbaarheid van parkeerplaatsen lokt autoverkeer aan en daarmee wordt een behoefte aan méér parkeerplaatsen gecreëerd. Op 26-11-2013, dus ná de vaststelling van het bestemmingsplan, besloot de stadsdeelraad al om toch méér dan 42 parkeerplaatsen aan te leggen, “als er parkeeroverlast in de omgeving is“.
– Het bestemmingsplan sluit niet uit dat er méér dan 42 parkeerplaatsen in het Diemerpark gerealiseerd worden. Behalve op de locatie binnen de bestemming ‘sport’ bestaat ook de mogelijkheid om binnen de bestemming ‘verkeer-1’ parkeerplaatsen op te nemen.
– In het verweerschrift van het stadsdeel wordt niets gezegd over de toegankelijkheid van het park die wordt gecreëerd voor brommers.

2. “Alleen openstelling op wedstrijddagen”
Het stadsdeel schrijft in het verweerschrift dat het zich voorneemt om het parkeerterrein alleen open te stellen op wedstrijddagen en incidenteel doordeweeks als in competitieverband wordt gespeeld.
Er is voor ons geen enkele aanleiding om daar geloof aan te hechten.
In sommige vergaderingen van de stadsdeelraad is wel gespróken dat er flankerende maatregelen genomen zouden kunnen worden die het gebruik van de parkeerplaatsen zouden moeten beperken, maar concrete voorstellen zijn daarover nooit gedaan en een besluit is daarover niet genomen.
Bovendien hebben twee partijen, D66 en VVD in openbare vergaderingen gezegd niets te voelen voor selectieve opening van het parkeerterrein.

3. “De locatie van het parkeerterrein is zodanig gekozen dat er in het sportpark een zo kort mogelijke afstand afgelegd hoeft te worden.”
Op 26-11-2013 heeft de stadsdeelraad besloten om de realisatie van de parkeerplaatsen uit te werken in een inrichtingsplan waarbij het instellen van eenrichtingsverkeer voor auto’s op het Dick Hilleniuspad als optie wordt opgenomen. Het idee is dan dat auto’s via de Oeverzeggestraat het park inrijden naar het parkeerterrein en via de Diemerzeedijk het park uit rijden. De indiener van dit plan, de vertegenwoordiger van D66, voerde daarvoor het argument verkeersveiligheid aan.
De stadsdeelraad geeft dus met dit besluit te kennen zelf niet zeker te zijn over de geschiktheid van de ontsluitingswijze (autoverkeer in twee richtingen) via de Oeverzeggestraat naar en van het parkeerterrein.
Overigens: omdat er dan over het héle Dick Hilleniuspad auto’s zouden gaan rijden, kunnen ook vraagtekens gezet worden achter de in het bestemmingsplan opgenomen locaties voor het parkeerterrein in het park.
De Oeverzeggestraat zou ontworpen zijn op een rijsnelheid van 30 km/uur.
Het stadsdeel zegt over de parkeergarage dat het “een utopie” is om te denken dat alle bezoekers en gasten gaan parkeren in de parkeergarage. Maar als het gaat om de rijsnelheid in de Oeverzeggestraat gaat het stadsdeel er blind van uit gaat dat automobilisten zich in de Oeverzeggestraat strikt zullen houden aan de maximum rijsnelheid. Uit onderzoek van ‘SD+P Management’ blijkt dat in de huidige situatie, met voornamelijk alleen autoverkeer van de aanliggende woningen zowel de gemiddelde snelheid als de 85-percentiel snelheid boven de toegestane snelheidslimiet van 30 km/uur ligt.
In het verweerschrift schrijft het stadsdeel dat het (dwars)profiel van de brug tussen de Oeverzeggestraat en het Diemerpark “voldoende breed” is om autoverkeer in twee richtingen gecombineerd met fietsverkeer te kunnen afwikkelen. Als daarmee bedoeld wordt dat er naast twee elkaar passerende auto’s nog fietsers kunnen rijden, dan is dat pertinent onjuist. Bovendien houdt het stadsdeel er geen rekening mee dat de brug onderdeel is van het Hoofdnet Fiets en er op de brug (van 300 meter lengte) voor fietsers geen uitwijkmogelijkheden zijn.
Wij merken verder op dat pas ná de vaststelling van het bestemmingsplan er metingen gedaan zijn ten aanzien van het verkeer op de diverse wegen en paden in en rond het Diemerpark. Dat had voor een goede besluitvorming eerder moeten gebeuren.

3.  Structuurvisie Amsterdam 2040

Vanwege de ligging in de hoofdgroenstructuur heeft het stadsdeel aan de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (T.A.C.) gevraagd te reageren op het plan.
Het advies van de T.A.C. achten wij om de volgende redenen niet valide:
1. Het groentype ‘sportpark’ verdringt het groentype ‘ruigtegebied/struinnatuur’.
2. De driehoek gevormd door Dick Hilleniuspad, Han Rensenbrinkpad en sportvelden moet “vrij” blijven.
3. In de samenstelling van de T.A.C. leek niet alle noodzakelijke expertise vertegenwoordigd te zijn.

1. Groentype ‘sportpark’ verdringt groentype ‘ruigtegebied/struinnatuur’.

De omvang van het sportterrein inclusief parkeerterrein wordt groter dan in de ‘Structuurvisie Amsterdam 2040’ is weergegeven.
In het verweerschrift staat: “Het Diemersportpark valt grotendeels binnen het groentype ‘sportpark’.
Door deze formulering erkent het stadsdeel dat een deel van het sportpark buiten het groentype ‘sportpark’ valt. Omdat het enige andere groentype in het Diemerpark het groentype ‘ruigtegebied/struinnatuur’ is, moet een deel van het sportpark dus in het groentype ‘ruigtegebied/struinnatuur’ liggen, dat dus door met name de aanleg van een parkeerterrein ingekrompen wordt. Dit is in strijd met de Structuurvisie, die expliciet als ‘beleidsintentie’ voor het groentype ‘Ruigtegebied/struinnatuur’ stelt: “Deze gebieden mogen niet opgevuld raken met andere functies of met andersoortige groenfuncties (volkstuinen, sportparken, parken e.d.). (blz. 245).
Op 20-02-2014 hebben de Partij voor de Dieren en de SP in de gemeenteraad van Amsterdam hierover vragen gesteld aan het college van B& W [zie bijlage].

2. Entree van het park moet “vrij” blijven.

Er is een belangrijk verschil tussen de afbeelding die in het bestemmingsplan is opgenomen van het parkeerterrein dat in het Diemerpark ‘bij recht’ mogelijk is gemaakt en de informatie die door het stadsdeel aan de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (T.A.C.) is verstrekt bij de aanvraag om een advies. Het betreft de driehoek die gevormd wordt door het Dick Hilleniuspad, het Han Rensenbrinkpad en de sportvelden.
Deze hoek vormt een belangrijk, sfeerbepalend element in de entree van het park.
Deze hoek behoorde in de T.A.C.-adviesaanvraag nadrukkelijk niet tot het ‘zoekgebied’ voor voorzieningen ten behoeve van het sportpark. In de afbeelding bij het Bestemmingsplan, zien wij dat bovenvermelde driehoek echter wel behoort tot het gebied waarin een parkeerterrein ten behoeve van het sportpark is mogelijk gemaakt.

Omdat wij voor de T.A.C. zelf geen gesprekspartner mogen zijn, hebben wij hierover op 24-02-2014 een vraag gesteld aan de gemeenteraad van Amsterdam en het college van B& W [zie bijlage].

3. Onvoldoende expertise in de commissie

Ten tijde van de advisering over de Hoofdgroenstructuur in het Diemerpark bestond de commissie uit drie leden. Volgens de verordening moest de commissie uit vijf leden bestaan. In de T.A.C. was zodoende niet alle expertise voldoende vertegenwoordigd.
Wij hebben de indruk dat daardoor met name het ‘parkbelevingsaspect’ onderbelicht is gebleven.

Conclusies van onze reactie op het verweerschrift van stadsdeel Oost

Het besluitvormingsproces rondom de aanleg van het sportterrein in het Diemerpark vormt geen integraal afwegingsmoment, zoals dat bij het opstellen van een bestemmingsplan verwacht mag worden.
Het besluitvormingsproces wordt gekenmerkt door ad hoc benaderingen en beslissingen, onvoldoende om een bestemmingsplan op te baseren en te verantwoorden, omdat integrale afwegingen niet aantoonbaar hebben plaatsgevonden.
Dit komt ook duidelijk naar voren uit de analyse van wat er gezegd is door stadsdeelraadsleden en leden van het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel tijdens openbare vergaderingen (zie bijlage 6).
We kunnen op basis van de gegevens uit de transcriptie van de stadsdeelraadvergaderingen, de ervaringen met het planvormingsproces en het bestuurlijk handelen niet anders concluderen dan dat er in dit geval sprake is van falend bestuur, niet als incident, maar als een continuïteit die nog steeds voortduurt. Zowel voor de parkliefhebbers als voor de sporters een frustrerende situatie, die bij een goede en inzichtelijke besluitvorming voorkomen had kunnen worden.

Samenvattend kunnen we concluderen:

Een integrale afweging en beoordeling van de huidige situatie heeft niet plaatsgevonden, ook niet van een voorspelbare toekomstige situatie.
Desondanks zijn er in de afgelopen jaren ten aanzien van de doelstellingen, het gebruik en het beeld van het Diemerpark wel vérstrekkende besluiten genomen met betrekking tot de vestiging van de sportverenigingen in het Diemerpark.
Voorwaarden, mogelijkheden én beperkingen ten aanzien van de voorzieningen van de sportverenigingen zijn voor een belangrijk deel niet duidelijk.
Het op zichzelf staande besluit om in het Diemerpark een parkeerterrein aan te leggen én derhalve in het park autoverkeer toe te staan is daar een voorbeeld van.

Het Dagelijks Bestuur is niet duidelijk en uitvoerig bezig geweest met de inhoudelijke voorbereidingen van de plan- en besluitvorming, inclusief het verstrekken van gegevens aan de betrokken partijen. Dat heeft bij de partijen tot veel verwarring en verkeerde afwegingen en keuzes geleid.

Er worden in de discussies en afwegingen tijdens de vergaderingen niet of nauwelijks principiële standpunten ingenomen. De debatten richten zich hoofdzakelijk op de problematiek en mogelijkheden van het parkeren zelf.
De consequenties ervan komen niet naar voren.

De alternatieven voor het parkeren in het Diemerpark zijn onvoldoende concreet onderzocht. In feite is de noodzaak om in het park te parkeren niet aangetoond. Bovendien werden noch de hoeveelheid, noch het gebruik, noch de inpassing in het terrein vastgelegd.

De effecten van verkeersontsluitingen in én om het park, waarbij auto-, fiets en wandelverkeer ten opzichte van elkaar in beeld zijn gebracht, zijn niet concreet onderzocht en aangegeven.

De uitslag van een door het stadsdeel gehouden meningspeiling, waarbij gekozen is voor een parkeervoorstel buiten het park, is niet opgevolgd.

De verkeersveiligheid van de fietsers én wandelaars is niet concreet aangetoond.

Er ontbreekt (nog steeds) een voldoende uitgewerkt inrichtingsplan van het sportterrein, waarbij de functionele en ruimtelijke onderdelen op elkaar zijn afgestemd en ingepast in de directe omgeving. Daarmee ontbreekt in feite een toetsingskader waarop afwegingen en beslissingen gebaseerd kunnen worden.

Volledig onduidelijk is wat de samenhangende effecten zijn van de sportactiviteiten, de evenementen en de strandactiviteiten. Van die samenhang kan een grote (auto-)verkeer aantrekkende werking uitgaan. Dit is niet onderzocht.

Er is een bestemmingsplan vastgesteld dat ongewenste en nauwelijks in te dammen nadelige ontwikkelingen en effecten voor een representatief deel van het Diemerpark teweeg brengt.
Duidelijke en limiterende aanwijzingen die de natuurlijke en verkeersextensieve recreatieve doelstellingen van het park veiligstellen, ontbreken volledig.

Als eindconclusie stellen wij vast dat het besluitvormingsproces over de beslissing om wel/niet in het park te parkeren niet inzichtelijk en evenwichtig heeft plaatsgevonden.
Dit heeft vérstrekkende gevolgen voor de doelstelling en verdere ontwikkeling van het park: dit moment markeert een ‘point of no return’.
Deze bestuurlijke lichtzinnigheid kenmerkt het hele besluitvormingsproces rondom de aanleg van het sportterrein in het Diemerpark.

Het verweer van stadsdeel Oost schiet op alle punten aantoonbaar tekort.
De reservering van locaties voor een parkeerterrein in het Diemerpark is een onvoldragen besluit.

Advertenties