“Poel des verderfs” (1997)

http://martinzuithof.blogs.com/weblog/2012/03/poel-des-verderfs-de-smerigste-vuilnisbelt-van-nederland-voor-ijburg-1997.html
Poel des verderfs. De smerigste vuilnisbelt van Nederland (1997)
Uit: Milieudefensie, februari 1997 door Martin Zuithof, freelance journalist.
Fotografie: Xander Remkes

Poel des verderfs 1997Vreemde contrasten.
Op de Amsterdamse Diemerzeedijk ligt de smerigste vuilnisbelt van Nederland maar het aangrenzende IJmeer is een internationaal beschermd vogelgebied. Uitgerekend hier moet een prestigieuze wijk op het water verrijzen: IJburg.

Aan een bochtig dijkje, even voorbij jachthavens, krakkemikkige woonboten en volkstuintjes, ligt een ruig natuurgebied: de Diemerzeedijk.
Deze buitendijkse polder van 50 hectare, ingeklemd tussen Amsterdam en Muiden, het IJmeer en het Amsterdam-Rijnkanaal, bestaat grotendeels uit kunstmatige heuvels, ontstaan door twintig jaar huisvuil- en puinstort.
Door de grote verschillen in vochtigheid bieden de heuveltjes, dalen en poelen een uitstekende omgeving voor planten en dieren.
Zo’n 200 plantensoorten komen er voor, zeldzame vogels als de buidelmees, het blauwborstje, de ijsvogel en de havik, vossen, vleermuizen en hermelijntjes èn een grote kolonie ringslangen.
Het gebied grenst aan het IJmeer, een van de rijkste vogel- en visgebieden van de randstad.
Jaarlijks komen hier maar liefst 240 vogelsoorten voor in enorme aantallen.
Het IJmeer heeft een schakelfunctie tussen de omliggende wetlands en ligt aan belangrijke vogeltrekroutes.
Het gebied is daarom in 1990 aangewezen als beschermd gebied binnen de Ecologische Hoofdstructuur.
De nieuwe wijk IJburg zal een gat in die Hoofdstructuur slaan, zo betogen het referendumcomité IJmeer Open en de vereniging Natuurmonumenten, die ageren tegen stadsuitbreiding op deze plek.
Naast al dit fraais is de Diemerzeedijk vermoedelijk de meest vervuilde gifstort van Nederland.
Griezelfilm
Vlakbij de vuilnisbelt, naast het hek met het bordje ‘verboden toegang’, ligt een kleiduivenschietbaan.
In een houten barak woont – in deze bizarre omgeving – de vroegere stortbaas Henk Griffioen (77).
Griffioen heeft de afgelopen 35 jaar onvoorstelbare dingen beleefd en het is alsof zich een griezelfilm ontrolt, als hij aan het vertellen slaat.
Griffioen begon na de oorlog als aannemer op de Diemerzeedijk.
Begin jaren zestig kwam hij in de vuilstort terecht: tijdens de strenge winter van 1962 stapelde het huisvuil zich op in de Amsterdamse straten, omdat de waterwegen waarover het afval gewoonlijk werd afgevoerd, wekenlang bleven dichtgevroren.
“Voor 1 gulden per kuub kon de gemeente het huisvuil wel bij mij kwijt. Die afvalverwerking deed ik erbij naast mijn aannemerswerk. Dan hoefden mijn machines niet stil te staan.”
Hij groef gaten, stortte de troep erin en dekte deze af met sloopafval en de vrijgekomen grond.
In het achterste gedeelte van de polder bevond zich sinds 1960 de gifstort en brandplaats van de firma Goede, een handige ondernemer die zijn bedrijf begon met de ‘verwerking’ van klein chemisch bedrijfsafval uit de regio Amsterdam.
Al snel deed hij ook goede zaken met bedrijven als Philips-Duphar, Shell, Marbon, KLM, Philips, Ford, Mashmeier, NSDM en Akzo-Ketjen.
Volgens Griffioen verdiende Goede wel 200 gulden per vat.
Op de brandplaats van Goede werden de vaten bij duizenden opgestapeld.
Eens per maand, als de wind gunstig stond, ging de fik erin.
Draaide de wind plotseling, dan hingen er boven Diemen dikke roetwolken, waaruit dioxine, zware metalen en het kankerverwekkende benzopyreen moeten zijn neergedwarreld.
Die roetwolken waren gitzwart, wat wees op onvolledige verbranding.
Soms vlogen de vaten honderden meters de lucht in.
Ze kwamen in het meertje erachter terecht en in het Amsterdam-Rijnkanaal, verderop. De tonnen schoten soms tussen de schepen door. Het spul dat niet verbrandde stroomde zo het IJsselmeer in. De gemeente geeft toe dat er zeker 80.000 vaten met gif zijn verbrand“, aldus Griffioen.
Snel bouwde Goede ook internationaal een reputatie op: bedrijven als Bayer en BASF stuurden vrachtwagens met hun smerigste gif naar Amsterdam.
Griffioen zag auto’s voorbijrijden uit Spanje, Italië en uit landen achter het IJzeren Gordijn, zoals Finland, Polen en Tsjechoslowakije.
Ingenieur Elenbaas van Bouw- en Woningtoezicht, zei tegen mij: ‘Als wij het niet doen, dumpen ze het wel in de Rijn.‘”
Griffioen herinnert zich grote trailers die afkomstig waren van een militair vliegveld bij Frankfurt.
Ze bleven maar ladingen groene vaten aanvoeren. Maandenlang.
Nato stond er op, geloof ik.”
Waarschijnlijk ging het hierbij om het bestrijdingsmiddel 2,4,5-T, dat de Amerikanen in Vietnam gebruikten als ontbladeringsmiddel (met de bijnaam ‘agent orange’).
Philips-Duphar, die in de jaren zestig 2250 ton van dit goedje produceerde, beleefde een gouden tijd.
Bij de productie van 2,4,5- T ontstaat dioxine, die men met het oplosmiddel monochloorbenzeen uit het eindproduct probeerde te wassen.
Duphar bracht ook dit oplosmiddel – inclusief dioxine – in grote hoeveelheden naar de gifstort van Goede.
Dioxine valt pas uiteen bij temperaturen boven de duizend graden en die worden bij openluchtverbrandingen nooit bereikt.
Veel van de dioxine bleef dus intact en vormt nog steeds een gevaar voor de Diemerzeedijk en omgeving.
De kuststrook bij de puinstort, die ook geheel vervuild is, staat nog steeds in open verbinding met het IJsselmeer.
Dioxine-expert Kees Olie stelde begin jaren tachtig voor het eerst wetenschappelijk de aanwezigheid vast van een reeks dioxinen op de Diemerzeedijk.
Zijn bevindingen deden de gegevens over de Volgermeerpolder verbleken: op de Diemerzeedijk komen de dioxinen voor in tien keer hogere concentraties.
Dioxine staat bekend als de giftigste stof die door de mens is gemaakt.
Ook andere gevaarlijke stoffen komen op de Diemerzeedijk in ruime mate voor.
Het ingenieursbureau Grontmij schat de totale hoeveelheid vervuilde grond op de Diemerzeedijk op 3,1 miljoen kuub.
Aceton
Zelf weigerde Griffioen gif te storten op zijn terrein, zo zegt hij.
“Op een dag constateerde ik dat Icova (een particuliere afvalverwerker; red.) ’s nachts heimelijk drie vaten met aceton had gestort. Toen heb ik gezegd: over en uit, geen Icova meer op mijn stort. Elenbaas meende echter dat ik ‘onschuldig chemisch afval’ van Icova, Shell en Akzo-Ketjen uit de stad niet langer kon weigeren.”
Maar Griffioen blééf weigeren en dat kostte hem zijn vergunning.
De stadsreiniging nam de vuilnisbelt over.
Als onderaannemer groef Griffioen in het vervolg alleen nog de gaten.
Ook de vergunning van Goede was in 1968 ingetrokken, aangezien de verbrandingen overlast bleven bezorgen aan omliggende gemeenten als Diemen en Muiden.
Vanaf dat moment was de afval- en gifverwerking geheel in handen van ambtenaren van de Amsterdamse stadsreiniging.
De openluchtverbrandingen gingen nog vier jaar door, zij het minder vaak.
De huidige directeur van de Milieudienst Amsterdam, Jan Cleij, vertelde onlangs in het VPRO-programma Argos dat hij met deze verbrandingen was belast.
Gifverbranding in de open lucht was in de jaren zestig volkomen legaal maar de gemeente Amsterdam gaat niet vrijuit.
Sinds 1973 kunnen zwaar giftige stoffen vernietigd worden in afvalverwerkingscentrales.
Toch ging de aanvoer van chemisch afval naar de Diemerzeedijk nog jarenlang door, oogluikend toegestaan door ambtenaren van de gemeentereiniging.
De provincie verbood de gemeente in 1979 door te gaan met het storten van huisvuil, maar de puinstort bleef nog geopend tot 1983.
Midden jaren zeventig sloeg kruiend ijs een groot deel van de kust bij de brandplaats weg. “Een stuk van 40 bij 100 meter is in het IJsselmeer verdwenen. Niemand deed er wat aan, terwijl het gif zo het water instroomde. Ten einde raad heb ik een brief naar het college geschreven en daarop kreeg ik pas een half jaar later antwoord. Een delegatie van de raad kwam kijken. Ze hebben allemaal gezien hoe de drab, de laboratoriumflessen en andere troep in het IJsselmeer verdwenen. Maar ze deden niets.”
Pas in 1989 legde Rijkswaterstaat als noodvoorziening een palendam aan.
Omstreeks 1978 zag Griffioen op maandagochtenden, voor acht uur, geregeld files op de dijk.
Bedrijven hadden met ambtenaren geregeld dat ze toch hun smerige stoffen kwijt konden op de stort.
Als de opzichter dan om 9 uur kwam, lagen de vaten al onder een laag puin.
Griffioen: “Voor die ambtenaren was het een goudmijn. Vaak passeerden er veel meer auto’s dan er afleveringsbonnen werden opgemaakt aan de poort. ’s Zaterdags werd er afgerekend. De opzichter ving dan makkelijk 1000 gulden en de rest deelde hij met het personeel.”
De landsadvocaat van de Staat der Nederlanden wil Henk Griffioen nu ook laten meebetalen aan de sanering van het gif.
“Directeur Cleij heeft die stapels toen toch in de fik gestoken? Laten ze die ambtenaren die er beter van werden ook betalen? En de Staat der Nederlanden moet toch geweten hebben dat die vrachtwagens uit het Oostblok zwaar giftige troep hiernaar toe hebben gebracht? Mij willen ze nu laten betalen omdat ik geen troep van Akzo-Ketjen en Philips-Duphar wilde. Het zijn afleidingsmanoeuvres om hun eigen falen te verdoezelen. Waar ik gestort heb, is nooit gif gevonden.”
Sanering
Desgevraagd vertelt een woordvoerder van het ministerie van VROM dat de gemeente Amsterdam niet aansprakelijk gesteld zal worden voor de vervuiling op de Diemerzeedijk.
Wel onderzoekt de landsadvocaat of het mogelijk is om niet bij name genoemde bedrijven – zoals Shell, Duphar en Bayer – mee te laten betalen aan de sanering.
Bij saneringen geldt tegenwoordig het principe: de vervuiler betaalt.
Jan Cleij, directeur van de Milieudienst Amsterdam heeft er nooit spijt van gehad dat hij het gif heeft verbrand.
Integendeel. Je hebt er geen idee van wat voor puinhoop het op dat terrein was. Mijn opdracht was het de aanvoerstromen van die stoffen uit heel Europa stop te zetten. Ik ben juist heel tevreden dat we door geleidelijke afbouw van de gifstort erger hebben voorkomen. Wellicht was er in Amsterdam anders net zo’n diffuse situatie ontstaan als in de regio Rotterdam, waar her en der illegaal gestort is.”
Volgens Henk Griffioen gebeurde dat ook op de Diemerzeedijk.
Cleij: “Als je ziet in wat voor wild-westtoestand wij deze plek in het begin aantroffen, is dat niet helemaal ondenkbaar. De puinstort is hier en daar ook vervuild, maar zeker niet in die mate als de brandplaats. Ik denk dus dat Griffioen overdrijft.”
Sanering is urgenter dan ooit.
Waarom heeft de gemeente daar niet al in de jaren tachtig veel harder aan getrokken?
Overal in de stad zijn immers terreinen gesaneerd.
Cleij: “Ik wil wel toegeven dat de Milieudienst de neiging heeft om die gebieden als eerste aan te pakken, waar voldoende maatschappelijk draagvlak bestaat. Die is er wel snel bij grondsanering in de Jordaan, maar toch veel minder als het gaat om de Diemerzeedijk en de Volgermeerpolder.”
Als de Amsterdammers tijdens het referendum op 19 maart (1997 – red.) de nieuw geplande woonwijk IJburg wegstemmen, beslissen ze indirect ook over uitstel van de sanering van de Diemerzeedijk.
Het huidige saneringsplan, dat 180 miljoen zal kosten, wordt gefinancierd uit verschillende fondsen.
110 miljoen komt uit de pot voor sanering van zogeheten VINEX- locaties, waarvan IJburg er een is. 60 miljoen komt uit de reguliere pot voor bodemsanering en de rest moet de gemeente bijdragen.
Jan Cleij: “Volgens de prioriteitenlijst van de bodemsaneringspot komt de sanering van de Diemerzeedijk in dat geval pas in 2002 aan de orde. Maar die pot is nu leeg en hoe het dan verder moet is onduidelijk. Wil je de sanering nu door laten gaan, kun je dus maar beter voor IJburg stemmen.”

—–

Advertenties